Naar inhoud

Rekenhof

Regentschapsstraat 2

Dit voormalige paleis, gelegen op de hoek van het Koningsplein en de Regentschapsstraat, tegenover de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, huisvest vandaag het Rekenhof. Zijn geschiedenis, die meer dan zes eeuwen omspant, weerspiegelt de politieke en architecturale evolutie van Brussel.

Een paleis beladen met geschiedenis

Middeleeuwse roots

De site werd al in de middeleeuwen bebouwd. In die tijd vestigde de adel zich in de buurt van de Place des Bailles, vlakbij het paleis van de hertogen van Brabant.

In 1407 was het huis eigendom van Guillaume Blondeel, adviseur en kamerheer van Antoine van Bourgondië. In 1432 werd het verkocht aan Antoine de Croÿ, een vertrouweling van Filips de Goede. Het gebouw werd meerdere malen verbouwd en bleef tot het einde van de 17e eeuw in handen van vooraanstaande adellijke families.

In 1688 werd het gekocht door Louis Alexandre Scockaert, graaf van Tirimont. Zijn familie bewoonde het huis tijdens de Spaanse en Oostenrijkse periodes en voerde er regelmatig renovaties uit.

De neo-klassieke wederopbouw

De wijk rond het Balieplein werd gegrepen door de brand van 1731, die in twaalf uur tijd het paleis van de hertogen van Brabant volledig verwoestte. Pas in 1769 werd opdracht gegeven om het plein op te ruimen.

Onder impuls van gouverneur-generaal Karel van Lotharingen werd de wijk vanaf september 1774 volledig herbouwd in neoklassieke stijl, volgens de plannen van architect Barnabé Guimard de Larabe (1734-1805) en naar het voorbeeld van de Place Stanislas in Nancy.

De douairière van Templeuve, zus van de laatste graaf van Tirimont, draagt bij aan deze renovatie door haar woning te herbouwen volgens de plannen van Guimard. Zo verdwijnt de rode bakstenen gevel met Vlaamse trapgevels en maakt plaats voor een herenhuis in neoklassieke stijl dat vandaag de dag nog steeds te zien is – althans aan de buitenkant.

Via erfopvolging kwam het hotel Tirimont in 1796 in handen van markies Paul Arconati Visconti, neef van de laatste graaf van Tirimont, die in 1800 burgemeester van Brussel was, vervolgens van zijn neef Joseph en ten slotte van Jean Arconati, afstammeling van een andere tak van de familie. Hij verhuurde het gebouw aan de stad Brussel, die er van 1834 tot 1839 het ministerie van Oorlog in onderbracht en tussen 1861 en 1866 de voormalige afdeling letteren van het Koninklijk Atheneum.

Residentie van de graaf van Vlaanderen

In 1866 koopt de jongste zoon van koning Leopold I, Filips, graaf van Vlaanderen (1837-1905), het hotel Arconati aan de vooravond van zijn huwelijk met de Duitse prinses Marie van Hohenzollern-Sigmaringen (1845-1912).

Het prinselijke paar ondernam ingrijpende renovatiewerkzaamheden en uitbreidingen, uitgevoerd door de architecten Gustave Saintenoy (1832-1892) en Clément Parent (1823-1884).

De noordvleugel, die dateert uit de 18e eeuw, kreeg een moderne inrichting; er werd een centraal gebouw en een zuidvleugel aan toegevoegd. De binnenhuisarchitectuur wordt toevertrouwd aan de schilder Jean Portaels (1818-1895).

Op 8 april 1875 wordt de toekomstige koning Albert I in dit paleis geboren. Wanneer hij in 1891 troonopvolger wordt, blijft hij er een diepe familiale band mee onderhouden.

Van prinselijk paleis tot publieke instelling

In 1921 verkocht koning Albert het paleis aan de Bank van Brussel, die de noordvleugel in zijn oorspronkelijke staat behield. De zuidvleugel werd evenwel uitgebreid en omgebouwd tot kantoren. Daar bevonden zich vroeger de balzaal, de grote salon, de Venetiaanse salon, de Gobelijngalerij, de grote bibliotheek van de graaf van Vlaanderen en de appartementen van de prinsen.

In 1982 kocht de Regie der Gebouwen het gebouw om er het Rekenhof in onder te brengen, die te krap zat in het Hôtel de Spanghen aan de andere kant van het Koningsplein en daarom een aantal van haar diensten had moeten decentraliseren. Alle diensten van het Rekenhof werden op 1 januari 1984 ondergebracht in het gebouw dat haar ter beschikking werd gesteld.

Het paleis vandaag: Rekenhof

Het Rekenhof oefent er haar controlefunctie op de overheidsfinanciën uit onder het gezag van het Parlement. Momenteel werken er ongeveer 500 medewerkers. Tijdens officiële ceremonies dragen de adviseurs nog steeds de zwarte toga en de hermelijnen sjerp, waarmee ze de tradities voortzetten van een instelling die gevestigd is op een symbolische plek in het Brusselse erfgoed.